De traditionele cementproductie is een van de grootste industriële vervuilers ter wereld. Met vijf tot acht procent van de globale CO2-uitstoot, zit de sector stilaan met de handen in het haar. Omdat klassieke en goedkope alternatieven, zoals vliegassen uit sluitende steenkoolcentrales, stilaan verdwijnen, zoekt de sector dringend naar nieuwe oplossingen. VITO biedt nu een lokaal antwoord met de Flash Calciner, een project van ruim 900.000 euro en de eerste open testinstallatie van Europa. Bedrijven kunnen er experimenteren om afvalstromen op te waarderen.
Projectcoördinator Liesbet Van den Abeele (Vito) legt het proces uit. “In de oven voeden we een droogpoeder, gemaakt van bijvoorbeeld baggerspecie”, vertelt ze. “Binnen twee seconden transformeren we die gewone klei tot een geactiveerd poeder.”
Gewone, onbewerkte klei zou een betonmengsel doen verbrokkelen, maar deze geactiveerde versie versterkt het materiaal net. Het product kan een aanzienlijk deel van het klassieke cement vervangen. Dit verlaagt de CO2-voetafdruk van het cement met initieel ongeveer een derde.
PFAS schoonbakken
Een uiterst relevant voordeel voor onze regio is de mogelijkheid om PFAS-vervuilde grond aan te pakken. “Uit testen met PFAS-houdende baggerspecie blijkt dat de PFAS na calcinatie uit het product verwijderd is”, verduidelijkt Van den Abeele. Het thermische proces breekt een deel af. “Wat via de lucht ontsnapt, vangen we op in een actieve koolfilter.” Het gefilterde materiaal wordt later op temperaturen boven 1200 graden behandeld, waardoor alle PFAS definitief vernietigd worden.
De technologie snijdt dus aan twee kanten: de vervuilde specie wordt gezuiverd én getransformeerd tot een bruikbaar bouwproduct.
Lokale kringloop
Is deze techniek voldoende om het klimaatprobleem in de bouwsector op te lossen? Professor Ruben Snellings (KU Leuven) nuanceert de cijfers. “We zitten nu aan een vervanging van dertig procent klei en vijftien procent kalksteen. Daardoor komen we op een totale vervanging van vijftig procent van het vervuilende cement.” Lopend onderzoek toont aan dat dit op termijn richting zeventig procent kan evolueren.
Snellings benadrukt dat we in onze moderne maatschappij niet zonder beton kunnen, maar dat deze innovatie een cruciale reddingsboei is. Alternatieven, zoals de CO2-uitstoot bij de cementfabriek zelf opvangen en ondergronds opslaan, zijn technologisch enorm duur en dragen risico’s met zich mee. “Dit is een enorme kostenbesparing”, stelt de professor. “Als we afhankelijk worden van geïmporteerde alternatieven uit China of Turkije, verplaatsen we het klimaatprobleem simpelweg en verliezen we lokale economische activiteit. We moeten gigantische volumes materialen hier lokaal in een kringloop houden.”
Van kruiwagen naar brug
Momenteel verwerkt de torenhoge testinstallatie op de site in Mol zo’n 25 kilogram per uur. Een bescheiden kruiwagen vol, maar wel essentieel. “Dit testcentrum moet de risico’s voor de industrie wegnemen”, verklaart Van den Abeele. Bedrijven kunnen hier in de Kempen hun processen veilig op punt stellen voordat ze miljoenen investeren in hun eigen industriële fabrieken.
Hoewel Europa met zijn verouderde zware industrie momenteel achterloopt op opkomende markten in Colombia en Brazilië, waar al wel grootschalige installaties draaien, is de ambitie bij Vito groot. “Op korte termijn hopen we dit klimaatvriendelijker materiaal te gebruiken voor de aanleg van onze wegen en bruggen”, besluit Van den Abeele hoopvol. “Daarna zetten we de stap richting de woningbouw.”