Vrijdag 16 mei. Secretaris Jean Dubois van voetbalclub Torpedo Hasselt heeft zich geïnstalleerd in het keukentje van de voetbalkantine met een laptop, twee computerschermen en een berg vooraf geprepareerde bestelformulieren. Verspreid over twee dagen zullen zo’n 500 clubleden langskomen voor de pasdag. Het is een jaarlijks tafereel waar bijna alle voetbalclubs mee te maken hebben.
Geen enkel merk is zo vaak te zien op de Limburgse voetbalvelden als Erreà. “Onze provincie telt zo’n 30.000 actieve voetballers: jong en oud, man en vrouw. Daarvan dragen ruim 8.000 spelers ons merk. Daar mogen we echt trots op zijn”, zegt Davy Willems, zaakvoerder van Erreà. Niet evident met 15 actieve concurrenten op de markt zoals Erima, Jako, Olympic, Joma, Castore, Stanno, Macron, Hummel, Kappa of Kipsta. Dat het godvergeten Italiaanse sportmerk nu zo sterk staat in onze provincie, is de grote verdienste van Davy Willems, zijn partner Sandra Freson en de rest van zijn team.
Kofferbak
Hoe is Willems bij het Italiaanse sportmerk terechtgekomen? “Ik heb zelf altijd gevoetbald en volgde mijn jeugdopleiding bij KV Mechelen. Zij hadden een uitrusting van Erreà. Als kind tekende ik met een stift rugnummers en het borstlogo van Erreà op Playmobil-mannetjes. Later vroeg ik me af waar het sportmerk uit mijn jeugd was gebleven. Ik heb een mail gestuurd naar het bedrijf en zo kwam ik in contact met een West-Vlaming die het merk nog wel invoerde. Regelmatig reed ik op en af naar de kust en verkocht ik Erreà-sportkleding vanuit mijn kofferbak op de parking van RC Hades. Die club was ook mijn eerste klant en vanaf dan is de bal beginnen te rollen.”
Vandaag kiezen niet alleen clubs op provinciaal niveau voor het Italiaanse merk. Ook KV Mechelen en KV Kortrijk treden aan in truitjes van Erreà. En op internationaal niveau is het bedrijf ook goed vertegenwoordigd. Van het Engelse voetbal (Sheffield United en Queens Park Rangers) tot de outfits van de nationale elftallen van de Faeröer-eilanden, Kosovo of Liechtenstein. “Naast voetballers kleden we in ons land ook steeds meer zaalsporters zoals de Belgische volleyfederatie of basketclubs Filou Oostende en Leuven Bears. En rugby, ook heel belangrijk”, zegt Willems.
Eigen ontwerp
Maar wat gebeurt er na zo’n pasdag? Om dat te zien, neemt Willems ons mee naar het hoofdkantoor van Erreà in Parma. Daar ontwerpt een team van designers de tenues voor de tienduizenden klanten uit alle hoeken van de wereld. Een huzarenwerk, omdat elke ploeg zijn eigen design heeft. “We hebben in onze catalogus vier verschillende basislijnen die onze klanten naar smaak kunnen aanpassen. Maar ze kunnen ook met een volledig eigen ontwerp komen,” zegt exportmanager Pierpaolo Lanzi.
Hij ontvangt ons in een van de vele showrooms. Aan de muur hangen tientallen voetbalshirts van bekende clubs, maar ook van volstrekt onbekende ploegen. Hij vertelt de bedrijfsgeschiedenis in het kort: “Angelo Gandolfi was destijds medeaandeelhouder bij teamwearfabrikant ABM, maar op een bepaald moment liepen de visies uiteen. Hij is dan in 1988 vanuit zijn garage een nieuw bedrijf begonnen.”
Plafondinspiratie
Achter de naam en het logo van het merk schuilen geen grote marktstudies, wel twee anekdotes. Erreà is gebaseerd op de fonetische uitspraak van de letters R en A in het Italiaans. “Ze verwijzen naar de kinderen van de oprichter: Roberto en Annalisa. Het logo? Na een aanslepende brainstormsessie over het nieuwe bedrijf in een restaurant keek een van de aanwezigen naar het plafond en daar zag hij een diamantvormig patroon in de lambrisering. Et voilà, het logo was klaar (lacht).”
Vandaag, ruim 30 jaar later, levert het bedrijf gepersonaliseerde shirts aan duizenden clubs in de hele wereld, van Botswana tot IJsland en van de VS tot Nieuw-Zeeland. “Hoeveel kledingstukken we jaarlijks produceren? Geen idee,” zegt Lanzi. “Miljoenen wellicht. 95% daarvan wordt in Italië of Roemenië gemaakt. Daarom kunnen wij ook snel en flexibel handelen als clubs bijvoorbeeld nog nabestellingen willen. We moeten niet wachten op overzees transport uit Azië.”
Last-minutestress
Op de designafdeling tovert intussen een designer de nieuwe outfit van Torpedo Hasselt op zijn scherm. Een 3D-presentatie toont de vier ontwerpen langs alle kanten: de uit- en thuisoutfits voor spelers én doelman. “Het is vooral belangrijk dat alle sponsors duidelijk zichtbaar zijn, dat hun logo en lettertype perfect zijn,” zegt hij. Davy Willems beaamt: “Dat is het meest stressvolle aan mijn job. Soms willen sponsors op het laatste moment nog een ander logo, achtergrond of kleurtje. Dan moet ik snel schakelen en met het hoofdkantoor onderhandelen. Pas wanneer de club zijn zegen heeft gegeven, gaat alles in productie.”
Het finale ontwerp wordt digitaal doorgestuurd naar een speciale lasermachine die alle onderdelen uit een grote witte lap stof snijdt: de voor- en achterzijde, de mouwen en de boorden voor kraag en mouwen. Op een volgende machine ligt al een groot stuk papier klaar. Daarop staat het design van het shirt in spiegelbeeld gedrukt. Met de nodige precisie legt een medewerkster de lapjes stof op de geprinte vakken.
Vervolgens gaan de stoflapjes en het papier onder een hete plaat van 210 graden voor een sublimatieproces. Daarbij wordt speciale inkt door verhitting omgezet in gas. Dat hecht zich aan de vezels van synthetische stoffen zoals polyester, waardoor het ontwerp permanent in de stof wordt opgenomen. “Het voordeel is dat we dit al vanaf twaalf stuks kunnen doen en dus ook voor heel kleine clubs een eigen outfit kunnen maken. Voor grote sportmerken, die op veel grotere volumes draaien, is dit procedé niet rendabel,” zegt Willems. “Zoals je ziet, komt er nog veel handenarbeid aan te pas.” En dan moet de volgende stap nog komen: de assemblage.
Garenregenboog
In een atelier, waar tientallen gekleurde rollen garen een regenboog tegen de muur vormen, gaat een ervaren naaister meteen aan de slag met de bedrukte stoflapjes. Ze maakt eerst de boordjes, zet de mouwstukken vast aan het rompgedeelte en stikt vervolgens alles aan elkaar. Het gaat vliegensvlug en foutloos. Amper acht minuten later legt ze het kant-en-klare shirt op tafel.
“Deze vrouwen leveren magie af. Ze hebben zoveel kunde en ervaring,” zegt Lanzi. “De uitdaging voor ons bedrijf is om altijd geschikt personeel te blijven vinden. In ons productiebedrijf in Roemenië werken honderden naaisters tegelijk, die elk een bepaald stuk van de assemblage doen. Dat gaat nog sneller. Maar het is en blijft handenarbeid.” Het zijn deze mensen die het mogelijk maken dat 15.000 Limburgse sporters zich iedere week stijlvol in het zweet kunnen werken.
Iedereen topper
Wanneer we uiteindelijk door de enorme verzendingshal wandelen, wijst Davy Willems naar een klantnaam op een berg dozen. “Aha, Alken United. Die pallet staat binnen een paar dagen bij mij.” Andere pallets staan die dag klaar om te vertrekken naar de Wit-Russische hoofdstad Minsk en enkele Italiaanse clubs. “Deze periode is de drukste van het jaar: elke dag vertrekken hier 1.200 dozen vol met sportkleding.”
De oprichter van het bedrijf, Angelo Gandolfi, gaat graag mee op de foto. “Hij is al 72 jaar, maar is iedere ochtend de eerste man op het bedrijf en is ‘s avonds vaak de laatste die vertrekt”, zegt Lanzi. Gandolfi blijft liever uit de schijnwerpers en geeft weinig interviews, maar hij maakt graag een uitzondering. “Ik ben heel trots op wat we met Erreà bereikt hebben”, zegt hij. “Ik beschouw het niet als mijn eigen bedrijf, maar als dat van alle mensen die hier werken en die in het buitenland ons merk aan de man brengen. De kern van sport zit voor mij in de grassroots: de lagere competities en jeugdsporten. Ik vond dat we deze miljoenen sporters ook het gevoel moesten geven om toch uniek te zijn, om een topper te kunnen zijn. Ik hoop dat we dat met onze gepersonaliseerde kleding ook kunnen doen.”
Bedrukken
Wanneer enkele weken later de dozen met de voetbaluitrustingen worden afgeleverd bij Erreà Point Limburg, is het werk nog niet afgelopen. “Wij moeten nog rugnummers, namen en logo’s op kledingstukken drukken,” zegt Willems. En dat is een enorme berg werk. Handenarbeid dan nog. Een speciale printer snijdt de nummers en letters uit een rol kunststof. Die moeten eerst met een pincet van de folie worden gepulkt en nadien allemaal op de kleding gedrukt. “De zomer is de absolute piekperiode. Dan staan de machines niet stil.”
“Ons succes is dat we de clubs ontzorgen,” vat Willems zijn succesrecept samen. “Ieder seizoen honderden leden voorzien van een nieuwe wedstrijd- en trainingsoutfit, dat is een van de grootste kosten voor een sportclub. Het vergt ook veel planning, administratie en logistiek. Het is de taak van ons hele team om dat allemaal zo vlot mogelijk te laten verlopen.”
Het eerste shirt van Torpedo Hasselt krijgt rugnummer 44: het geboortejaar van secretaris Jean Dubois. De man die al zestien jaar lang ieder seizoen het hele circus van nieuwe outfits binnen zijn club moet organiseren.