Indaver, met hoofdkantoor in Mechelen, is eigenlijk al vijftien jaar actief in het het Verenigd Koninkrijk, maar niet met sites van het kaliber als de nieuwe Integrated Waste Management Facility (IWMF). Die installatie zet niet-recyclebaar afval om in energie. Een win-winsituatie dus.
CEO Karl Huts wil met zijn bedrijf “nog meer waarde uit afval creëren, voor de samenleving, de industrie en het milieu”. “Rivenhall toont wat mogelijk is wanneer ambitie, innovatie en samenwerking samenkomen”, zegt hij.
In totaal kost de fabriek bijna 700 miljoen euro. Jaarlijks moet de installatie net geen 600.000 ton niet-recyclebaar huishoudelijk en bedrijfsafval verwerken – het is daarmee de grootste site van Indaver qua tonnage.

“De Britten hebben een grote inhaalbeweging gemaakt de afgelopen jaren”, zegt Huts. “Vroeger werd alles hier op een stortterrein gesmeten of naar het Europese vasteland gebracht. Op een bepaald moment hebben ze ingezien dat dat niet vol te houden was.”
Vergunningen
Met de totstandkoming van de fabriek was een fijne neus voor zaken gemoeid. Indaver botste op een Brits initiatief voor een afvalfabriek – gelegen op een oud militair vliegveld – dat maar niet van de grond kwam. Daarop besloot het bedrijf de site over te nemen en de uitwerking ervan zelf tot een goed einde te brengen.
“Er waren twee vergunningen nodig”, gaat Huts verder. “Een bouw- en een milieuvergunning, die elkaar zowaar tegenwerkten. Voor de bouwvergunning moesten we zorgen dat de schouw niet te hoog uitstak, voor de milieuvergunning moesten de schouw eigenlijk zo hoog mogelijk bouwen, om de rookpluim zo ver mogelijk weg te houden.”
Uiteindelijk werd de fabriek in een soort krater ingegraven. Daardoor komt de schouw slechts 35 meter boven het maaiveld uit. De bestaande groeve op de site kwam zo handig van pas. Rondom de schouw zitten een soort spiegels, waardoor ze niet opvalt in het landschap. Onderaan de schouw zit een ‘booster’ die de rook nog eens extra naar boven duwt. “Technisch is het de top van de top”, aldus havenbaas Fernand Huts, vader van CEO Karl Huts.
Kostenplaatje
Ook het financiële plaatje was niet eenvoudig. In het geval van Rivenhall dekt de verzekeraar het risico van de banken. Banken: meervoud, want er zijn er drie nodig geweest om alles rond te krijgen. Naast Credit Suisse (nu UBS) en KBC is ook BNP Paribas aan boord. De EPC contractor (Engineering, Procurement, and Construction, red.) is het Zwitsers-Japanse Kanadevia Inova. Volgens Karl Huts zal de site over een kleine tien jaar zijn terugbetaald.
In het Verenigd Koninkrijk en Ierland ziet de CEO weinig groeimarge. Rond de Middellandse Zee liggen dan weer landen waar een erg actieve ‘stortplaats-lobby’ is. “Het meeste potentieel voor andere sites ligt daarom in Oost-Europa”, zegt Huts. “We kijken naar bijvoorbeeld Polen en de Baltische staten. En op termijn kan de site hier uitbreiden met bijvoorbeeld grofvuil.”
Naast de “Integrated Waste Management Facilities” denkt Huts ook luidop na over zogenaamde Plastics2Chemicals-fabrieken. In zo’n fabrieken breekt Indaver specifiek plastics af om ze daarna om te zetten in andere bouwstenen voor de chemie.
Serres
Indaver heeft in Rivenhall een vergunning beet voor serres die naast de fabriek zullen komen. Warmte, elektriciteit en CO2 (nodig voor de groei bij groenten, red.) zullen vanuit de fabriek naar die serres worden vervoerd via een pijpleiding. Het einddoel daarvan is het kweken van tomaten die in Londen verkocht moeten worden. Indaver droomt van 30.000 ton tomaten per jaar. Gezien Engeland heel wat tomaten invoert, kan Indaver ze gemakkelijk ter plaatse verkopen.
“We hebben nu een installatie gebouwd waarin we afval verwerken en energie produceren”, besluit de Britse Indaver-directeur Seamus Flynn. “Maar voor ons is dit nog maar het begin. We willen bekijken hoe we de elektriciteit, warmte, C02 en bodemassen uit deze installatie optimaal kunnen benutten. Voor dat project is al een vergunning verleend voor 40 hectare laag-koolstofserres.”
In ons land legden het Departement Zorg en het Departement Omgeving Indaver begin mei een reeks maatregelen op. Die maatregelen waren het gevolg van een bodemonderzoek, uitgevoerd door OVAM, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Volgens het onderzoek was er geen volledig zicht op alle types PFAS die vrijkomen rond de site in Stabroek. Indaver beloofde daarop verder te doen met het monitoringsprogramma van de bodem en de gewassen rond de site in de haven van Antwerpen.

