Bedrijven moeten het komende jaar nadenken hoe ze via een prikklok of soepelere digitale systemen registreren hoeveel uren hun werknemers aan de slag zijn. De beslissing komt er tegen de achtergrond van een Europese richtlijn over arbeidstijden, die al jaren tot getouwtrek leidt. In 2019 velde het Europees Hof van Justitie een arrest in een Spaanse zaak, waarbij gesteld werd dat de Europese regels over arbeidstijd alleen maar afdwingbaar zijn als eerst die arbeidstijd wordt gemeten.
Het hof verwees niet naar een ‘prikklok’, maar vroeg een registratiesysteem dat objectief, betrouwbaar en toegankelijk is. Door dat arrest voerden de meeste Europese landen een wettelijke verplichting op arbeidstijdregistratie in, België deed dat niet. In de vorige legislatuur vroeg minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS) daarover advies aan de Nationale Arbeidsraad, maar de werkgevers en de vakbonden slaagden er niet in tot een akkoord te komen.
Zomerakkoord
In het federaal regeerakkoord staat de kwestie niet vermeld, maar in de begrotingsdebatten van de voorbije maanden is ze samen met de losse eindjes van het zomerakkoord wel besproken. Het lijkt nu de ambitie van de regering dat Europese principe zo soepel mogelijk in te vullen.
Vanuit de ondernemerswereld komt alvast kritiek. Unizo noemt de maatregel “alweer een extra bron van administratieve last in een land dat een bijzonder strikt arbeidsduurregime heeft”. Een eigen bevraging van Unizo toont dat ruim de helft van de ondernemers absoluut tegen is. De prikklok is “onredelijk, onwerkbaar en onnodig”, oordeelt Unizo. Nog volgens de ondernemersorganisatie is de invoering ervan niet vereist door Europa.