In Vlaanderen gaat ongeveer één derde van de totale Vlaamse begroting naar subsidies; dat komt neer op 18 miljard euro per jaar op een begroting van een kleine 60 miljard euro. Vlaamse kmo’s en ondernemers lijken bijna gek als ze géén subsidies aanvragen, en dat is precies het probleem van onze baxtereconomie.
Met instrumenten zoals de kmo-portefeuille, de kmo-groeisubsidie en talloze energie- en innovatiesteunen wordt de steunlogica in kmo-land verankerd. Kleine ondernemingen krijgen tot 30 à 45 procent tussenkomst op opleidingen en advies, middelgrote ondernemingen tot 20 à 35 procent, met plafonds rond 7.500 euro per jaar of tot 50.000 euro per groeitraject. Op papier gaat het om “professionalisering”, “innovatie” en “groeisprongen”; in de praktijk wordt het vaak een financiële reflex: eerst kijken welke subsidie er is en dan pas nadenken over inhoud en strategie.
En die subsidiewinkel is het businessmodel voor consulenten die een percentage van de subsidie als succesfee aanrekenen. Ze leuren als het ware van deur tot deur met subsidies. Investeringsplannen worden geschreven rond steunpercentages, niet rond rendement op kapitaal. De vraag is minder: “Is dit economisch verstandig?”, maar: “Hoeveel subsidies kan ik krijgen?” Dat is comfortabel op korte termijn, maar gevaarlijk op lange termijn: kmo’s en ondernemingen rekenen op de overheid, niet op hun eigen verdienmodel.
Volvo als spiegel voor kmo’s
Het steunpakket van maximaal 119 miljoen euro voor Volvo Gent lijkt ver weg van de realiteit van de kleine ondernemer, maar inhoudelijk is het dezelfde logica. De overheid neemt een groot deel van het risico op zich – via steun voor investeringen, energie-efficiëntie, innovatie en opleiding – in ruil voor de hoop op jobs en verankering, terwijl het echte probleem overcapaciteit en hoge loon- en energiekosten zijn. Kmo-subsidies doen hetzelfde op kleinere schaal: de publieke middelen verlagen je risico, maar zijn niet meer dan een compensatie voor de administratieve overlast en de hoge loonkosten.
Als grote bedrijven en kmo’s beiden aan de baxter liggen, verschuift de mentale norm: een bedrijf zonder subsidies oogt bijna naïef. Dat zet ondernemers in een vals kader: wie niet meedoet met het subsidieopbod, lijkt naïef.
“We schrijven ondernemingsplannen voor de overheid, niet voor de klant”
Rudy AernoudtSubsidies: een verslavend systeem
In Nederland bestaan er ook steunmaatregelen voor bedrijven. Maar die bedragen slechts de helft van wat Vlaanderen uitgeeft, en daar ligt de focus op concrete innovatieprojecten. In Vlaanderen daarentegen is het subsidielandschap een lappendeken van portefeuilles, groeisubsidies, energiesteun, water- en klimaatprogramma’s: elk op zich verdedigbaar, samen een verslavend systeem.
Voor de kmo-ondernemer betekent dat: je kunt veel krijgen, maar je spendeert kostbare tijd aan formulieren, deadlines en oproepen, en minder aan klanten en bedrijfsstrategie. Subsidies worden dan geen hefboom, maar een parallel universum waarin je leert schrijven voor de overheid, niet denken voor je bedrijf. En hoe ingewikkelder en ondoorzichtiger de procedures, hoe beter voor de bedrijfsconsulenten. Overigens legitimeert dat ook het stevige ambtenarenapparaat voor het al dan niet toekennen en controleren van de subsidies.
De subsidiewinkel afschaffen?
Instrumenten zoals de kmo-portefeuille en de groeisubsidie zijn niet per se slecht; ze kunnen nuttig zijn voor strategische kennis en opleidingen die je anders zou uitstellen. Maar ze worden gevaarlijk als je projecten bouwt rond steun. Het probleem is natuurlijk: als jij het niet doet, doet je collega-ondernemer het wel, en dat vervalst de concurrentie.
De Vlaamse baxtereconomie voor kmo’s is dus geen abstract beleidsprobleem, maar een dagelijkse keuze: doe ik mee of niet? Schakel ik een consulent in of niet? Maar misschien is het beter de subsidiewinkel volledig af te schaffen en in plaats daarvan de belastingen te verlagen en te werken aan een ondernemingsvriendelijk klimaat, met een soepel vergunningsbeleid en minder administratieve rompslomp. Op die manier wordt ook concurrentievervalsing tussen zij die subsidies hebben en zij die het niet hebben, vermeden.