made Rudy Aernoudt. Foto: Joris Herregods

COLUMN. Vlaanderen start nog altijd bedrijven, maar de motor hapert

Rudy Aernoudt is professor, schrijver, filosoof, econoom en kabinetschef van MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez. Geregeld kruipt hij in zijn pen om een kritische column te schrijven voor alle regio’s van Made in. Vandaag heeft hij het over de startersatlas die nog wel nieuwe ondernemingen telt, maar tegelijk steeds meer handel, industrie en lokale economische slagkracht verliest.

Vlaanderen telt nog altijd het grootste aantal starters van het land, leert de nieuwe startersatlas van Unizo, goed voor 54,5 procent van alle Belgische starters. Goed, maar in feite is dat weinig, gezien Vlaanderen zowel qua bevolking als qua economie 58 procent van België vertegenwoordigt.

In 2025 waren er in Vlaanderen 6.869 starters, 85 minder dan een jaar eerder, of 0,08 procent. Geen spectaculaire instorting, uiteraard. Maar ook geen detail. Het is een stille stilstand, en die is economisch gevaarlijker dan een duidelijke crisis. Een crisis dwingt tot actie. Stilstand nodigt uit tot zelfgenoegzaamheid.

Vlaanderen is niet stilgevallen omdat Vlamingen plots minder ondernemend zouden zijn. Vlaanderen is stilgevallen omdat ondernemen almaar meer inspanning, risico en geduld vraagt, zeker in deze turbulente tijden, terwijl de overheid het ondernemerschap te vaak behandelt als een belastingbron.

Eenmanszaken troef

De tweede ongemakkelijke waarheid zit in het soort ondernemingen dat vandaag wordt opgericht: hoofdzakelijk eenmanszaken. Dat is op zichzelf niet slecht. Een zelfstandige die zijn of haar lot in eigen handen neemt, of die probeert te ontsnappen aan de wurgende personenbelasting, verdient respect, geen neerbuigende commentaar. Maar we mogen een grote stroom aan eenmanszaken niet automatisch verwarren met een brede economische versterking. Een economie wordt niet alleen weerbaar door veel ondernemingsnummers, maar door ondernemingen die investeren, personeel aantrekken, exporteren, kennis opbouwen, leveranciers betalen en lokaal werk creëren. En daar knelt het. Slechts 5,4 procent van de Vlaamse starters die in 2025 begonnen, stelde datzelfde jaar minstens één werknemer tewerk.

Uiteraard is het onredelijk om van elke starter meteen een werkgever te verwachten. Maar het cijfer maakt wel duidelijk dat onze startersstroom vooral bestaat uit zeer kleine, kwetsbare structuren. Een ondernemer die alleen begint, verdient vooral een systeem dat hem of haar helpt om niet alleen te blijven. Dat betekent niet: iedereen dwingen tot groei. Wel: de stap van zelfstandige naar werkgever minder gevaarlijk maken. Vandaag is die stap voor velen een sprong over een administratieve ravijn: loonkost, sociale bijdragen, complexiteit, aansprakelijkheid, ziekte, opvolging, regels die elkaar tegenspreken en een overheid die met de ene hand starters aanmoedigt om personeel aan te werven, maar met de andere hand alles complexer en duurder maakt.

De winkel verdwijnt stilaan

Nog zorgwekkender is de sectorale verschuiving. Vlaanderen creëert veel diensten, zorgactiviteiten, consultancy en transport. Dat zijn reële activiteiten. Maar tegelijk krimpen sectoren die voor lokale verankering zorgen: handel, industrie en landbouw. In Vlaanderen daalde de actieve handelspopulatie in 2025 met 1,15 procent. De groothandel en handelsbemiddeling krompen zelfs met 2,66 procent. In de detailhandel waren er 5.339 starters, maar ook 5.473 stopzettingen: een nettoverlies. De Vlaamse handel verloor daarmee geen abstracte economische categorie, maar winkels, speciaalzaken, familiebedrijven, toonbanken, vakkennis en leven in onze centra.

In Vlaanderen waren er in 2025 2.255 industriële starters, tegenover 2.331 stopzettingen. De maakindustrie alleen verloor netto 147 ondernemingen; de actieve populatie daalde er met 0,43 procent. De primaire sector deed het nog slechter: 1.296 starters, 1.531 stopzettingen en dus een nettoverlies van 235 ondernemingen.

Conclusie

Ondernemerschap is geen decorstuk in een regeerakkoord. Het is de bakker die om vijf uur ’s morgens begint. De zelfstandige die twee jaar lang geen vakantie neemt. De winkelier die in een lege kern toch zijn licht blijft aansteken. De installateur die geen personeel vindt. De horeca-uitbater die elke maand opnieuw de optelsom maakt. De jonge zorgverlener die graag zelfstandig werkt, maar zich afvraagt hoeveel administratie nog bij het beroep hoort.

Die mensen moeten we koesteren, want een Vlaamse economie die alleen groeit in consultancy, individuele dienstverlening en zorg, maar haar handel, productie en ambacht ziet eroderen, wordt op termijn kwetsbaar. Diensten zijn onmisbaar, maar ze vervangen niet vanzelf de economische keten van maker, leverancier, winkelier, hersteller en lokale werkgever.