In 2021 liet Dimitri Naesens West-Vlaanderen achter zich om een project te starten dat economische logica koppelt aan ecologische noodzaak. In Colombia begon hij een operationeel project in het regenwoud, met de bedoeling de lokale communities te doen afzien van houtkap en te heroriënteren naar economische activiteiten in de landbouw.
Hun producten (zoals advocado’s, vis of cacao) bereiken de lokale markten of kunnen ook via traders de internationale markt op. “Het bewijs dat economische logica en ecologische noodzaak (niet langer kappen van het oerwoud) hand in hand kunnen gaan”, zegt Dimitri Naesen. “Het is een droom die uitkomt.”
Project met impact
Naesens ziet zichzelf in de eerste plaats als ontwikkelaar. Waar hij vroeger vastgoedprojecten realiseerde, zijn dit op vandaag op natuur gebaseerde projecten, met dezelfde aandacht voor structuur, schaal en lange termijn waarde.
“We zijn geen NGO en ook geen liefdadigheidsinstelling”, zegt de door idealisme gedreven West-Vlaamse ondernemer. “Forestbase heeft wel degelijk een zakelijke en duidelijke structuur, maar één met meetbare impact op ecologie en lokale communities. Centraal staan de lokale gemeenschappen die in en rond het regenwoud leven. Zij worden actief aangesproken om handelspartner te worden. Dat is een langdurig en intens proces: het project bestrijkt grote oppervlaktes en vergt vaak gesprekken en afspraken op individueel niveau, gemeenschap per gemeenschap, soms letterlijk man per man.”
Alternatieve inkomsten vormen de kern van het verhaal, in ruil voor actieve bescherming van het bos en het stopzetten van verdere ontbossing. Die alternatieve inkomsten worden opgebouwd via agroforestry, lokale productie en via een markt die de voorbije jaren sterk aan belang heeft gewonnen: de carbonmarkt, het wereldwijde mechanisme om vermeden uitstoot van CO₂ een economische waarde te geven.
Next step via carbon credits
Vijf jaar na de opstart blijkt het model van Forestbase helemaal aan te slaan. In het najaar wil Forestbase voor het eerst ook ‘carbon credits’ (koolstofcertificaten) uitgeven waarop bedrijven kunnen inschrijven als ze achter het grensverruimende concept staan. De helft van die opbrengsten moet gaan naar de lokale communities, de andere helft naar nieuw op te starten maar soortgelijke projecten elders in de wereld.
“Wie het regenwoud intact houdt, vermijdt CO₂-uitstoot”, zegt Naesens. “Die vermeden uitstoot wordt gemeten, onafhankelijk geverifieerd en omgezet in carbon credits. De credits zullen verkocht worden aan bedrijven die hun resterende uitstoot willen neutraliseren of hun klimaatstrategie concreet willen maken. Dit is geen louter ideologisch verhaal. Zonder economisch fundament houdt dit geen stand. Impact die zichzelf niet financiert, blijft tijdelijk.”
Naast carbon werkt het team aan biodiversiteitsmonitoring, satellietanalyse, lokale governance en transparante rapportering, onder meer afgestemd op de relevante Sustainable Development Goals. Alles is gericht op één doel: een structuur opzetten die autonoom blijft functioneren.
Een onafhankelijk (Amerikaans) verificatie instituut onderzoekt in deze fase of de carbon credits (een beproefd financieel concept) beantwoorden aan de noodzakelijke vereisten. In het najaar hoopt Naesens zijn credits te kunnen vermarkten. Volgens hem is de interesse in grootschalige impactprojecten reëel. “Dit is geen ver-van-ons-bed-verhaal, Forestbase biedt infrastructuur voor natuur”, zegt hij. “En net zoals bij vastgoed of energie geldt ook hier: wie het goed opzet, creëert waarde die generaties meegaat.”