Réginald Moreels opereerde voor Artsen Zonder Grenzen in de gevaarlijkste conflictgebieden, van Somalië tot Syrië. In Halabja, Irak, was hij een van de eerste ooggetuigen van de gruwelijke gifgasaanval die Saddam Hoessein op de Koerden had laten uitvoeren. Op missie in Sarajevo werd zijn auto doorzeefd met kogels.
In de jaren negentig was Moreels ook staatssecretaris en minister van Ontwikkelingssamenwerking. Hij bepleitte altijd het lot van de zwaksten bij de groten der aarde, van president Jimmy Carter tot paus Franciscus. Sinds 2014 is hij vooral actief in Oost-Congo, als bezieler van het chirurgisch en verloskundig centrum UNICHIR.
Nooit voltooide zoektocht
In de autobiografie Het was mijn verdomde plicht vertelt Moreels voor het eerst zijn volledige verhaal: zonder omwegen en met de verbetenheid die hem kenmerkt. Hij heeft het over zijn frustraties in een wereld die dossiers vaak belangrijker vindt dan mensenlevens. Over zijn eigen onrust, zijn strijd tegen anorexia en zijn nooit voltooide zoektocht om een beter mens te worden. En over zijn onvermoeibare idealisme, zijn ethische plicht om altijd het goede te doen, ongeacht wie er op zijn operatietafel ligt.
“Kleine goedheid kan de wereld draaglijker maken”, zegt Moreels naar aanleiding van het boek. “Ik zou graag hebben dat mijn
verhaal dat idee achterlaat in het hoofd van hen die onze toekomst zullen kleuren.”