Schoenmaker Foto: Jan Van der Perre

Schoenmakersvak loopt op zijn laatste benen

ANTWERPEN - In 2017 waren er nog 510 schoenmakers in ons land. Vandaag zijn er dat volgens de Belgische vakfederatie Shoefed nog maar amper 334. En bovendien bedraagt de gemiddelde leeftijd van die vaklui intussen 60 jaar, want door gebrek aan opleidingen is de instroom van nieuwe mensen te verwaarlozen. Wat is er aan de hand?

Volgend jaar in mei zal het dertig jaar geleden zijn dat Rob Rotenbiller en zijn vrouw Sandra Begas hun schoenmakerij openden in de Antwerpse Lange Lozanastraat. “We hadden twee keer niks”, vertelt Sandra aan de keukentafel achter hun huidige winkel in de Wilrijkse Jules Moretuslei. “Rob deed alles met de fiets en na een tijd met een mobylette. Pas na een paar jaar kon er een camionette af.” In 1997, drie jaar na de opstart, nam het koppel er een slotenmakerij bij. Toen al voelden ze dat de vraag naar schoenmakerswerk begon te dalen. Sandra deed de winkel. Overdag deed Rob de baan, ’s avonds de schoenen. Hij draaide dubbele shiften, vaak tot 1 of 2u ’s nachts.

Vijftien jaar geleden verhuisde het koppel naar Wilrijk. Ze vonden er een huis dat groot genoeg was voor hun gezin met vijf kinderen. “Toen was er nog een andere schoenmaker op de Bist en eentje op de Prins Boudewijnlaan”, zegt Rob. “Maar die zijn ondertussen gestopt.” En er waren geen geïnteresseerden om die zaken over te nemen. Hoe zou het ook? Er zijn geen beroepsscholen waar je het vak nog kunt leren.

Gebeten door het vak

Rob is 53 en heeft de stiel in de jaren tachtig nog geleerd op de katholieke vakschool Frederic Ozanam, in de Lombardenstraat in Antwerpen, in het voormalige klooster van de Witzusters. Het was een school voor ‘volkskinderen’, waar ze een opleiding tot kapper en kleer- of schoenmaker kregen. De school bestaat niet meer. Sinds de vroege jaren negentig ligt daar het daklozencentrum Kamiano. Rob is de zoon van Hongaarse ouders, die in 1956 uit hun land gevlucht waren nadat de Russen er waren binnengevallen. In zijn jeugd logeerde hij dikwijls bij een koppel dat een schoenmakerij runde in de Kleine Beerstraat op Zurenborg. Zo kreeg hij de smaak te pakken. En ook meer dan veertig jaar nadat hij voor het eerst een schoenzool in zijn handen heeft gekregen, is hij nog altijd gebeten door zijn vak.

 

Trots leidt Rob ons rond om uit te leggen wat elke machine doet. Er zijn er om te stikken, te persen, aan te kloppen, te schuren, af te werken. Er staan ook zes machines om sleutels te maken, drie ervan computergestuurd. “We maken nu sleutels op basis van unieke codes”, zegt Rob. “Tja, je moet met je tijd blijven meegaan.” Maar de schoenmakerij, die blijft grotendeels ambachtelijk. Op school leerde hij de logica van een schoen doorgronden. Hij kan hem bijna blindelings uit elkaar halen en opnieuw in elkaar puzzelen. “Wij leerden op school vanuit het niets zelf een schoen te maken”, zegt hij. “Als pakweg de volledige voorkant van je schoen kapot is, kan ik daar nog altijd een volledig nieuw stuk inzetten. Maar die vakkennis is aan het verdwijnen.”

Wegwerpmaatschappij

Je ziet geen truien meer met elleboogstukken of broeken met knielappen. Is een kledingstuk kapot, dan koop je een nieuw exemplaar. In verhouding zijn kleren de voorbije decennia een stuk goedkoper geworden. Ze vertegenwoordigen een kleiner percentage in het gezinsbudget. Maar ook schoenen zijn wegwerpartikelen geworden. De materialen goedkoper, de mode anders, de regels losser. “Nog niet zo lang geleden moest je op school of op je werk geklede schoenen dragen”, zegt Sandra. “Als een vrouw uitging, deed ze een hakje aan.”

 

De normalisering van de sneaker heeft alles veranderd. Al gebruikt Sandra dat woord niet. Ze heeft het nog consequent over ‘basketters’. “Tegenwoordig trouwen ze zelfs op basketters”, zegt ze. De verbazing staat op haar gezicht te lezen. Ze kan het zelf nog altijd niet geloven. En basketters zijn vaak gemaakt uit minderwaardige materialen. Nepleer. Plastic. Nylon. “De berg afval die die schoenen veroorzaken, die wil je niet zien”, zegt Sandra. “Ze verkopen tegenwoordig schoenen van 20 euro. De ecologische voetafdruk van een basketter is gigantisch.”

Wispelturige materialen

Rob begint over de zolen. Leer is destijds vervangen door rubber. En rubber is nog een natuurproduct dat makkelijk te herstellen is. Maar die goedkope mengvormen die ze vandaag onder een schoen plakken, zijn heel wispelturig. “Vroeger moest ik tubes secondelijm weggooien omdat ze over datum waren. Nu gebruiken we dit soort lijm voortdurend. Maar zelfs dan lukt het soms nog niet. Er zijn materialen die je mag ontsmetten met javel zo veel je wilt, plakken lukt niet. Bovendien zijn ze slecht voor je voethygiëne. Je voeten ademen niet meer in dat materiaal.”

 

En toch staan er ook basketters in zijn herstelrekken. “Zeker”, zegt Rob. “We verstevigen bijvoorbeeld de achterkant van gescheurde hielen. We hebben apparatuur om basketters te kuisen. We kunnen ze zelfs ‘pimpen’ met gekleurde zolen.” Hij haalt er Puma’s bij, met een scheur aan de tenen, tegen de zool aan. “Je betaalt er makkelijk 150 euro voor in de winkel. Maar toch is het geen echt leer en dus een stuk moeilijker te herstellen. Maar door mijn ervaring kan ik het wel.”

“Altijd een oplossing zoeken”

En dan volgt zijn mantra. Rob heeft het al een keer gezegd en zal het nog een paar keer herhalen tijdens ons gesprek. “Mensen zouden versteld staan van wat een ervaren schoenmaker allemaal kan. Ik zoek voor alles een oplossing en zeg nooit onmiddellijk: ‘Nee, dat kan ik niet.’ Alleen maar als ik het probleem grondig bekeken heb.”

Hij dist een anekdote op van een vrouw die enkele weken geleden de winkel binnenstapte. “Ze had een mooie schoen in maat 39 en wilde die laten aanpassen in haar eigen maat. Ze stroopte haar broekspijp een beetje op en ik zag een enorme voet verschijnen. Ze was een grote vrouw. Maat 46 had ze. Ik zei: ‘Mevrouw, ik kan veel, maar ik kan niet toveren.’ (lacht) Maar een schoenmaker kan dus veel meer dan de mensen denken.”

En hij begint aan een lange opsomming: “Verbreden, versmallen of inkorten van botten. Volledig nieuw onderwerk voor bergbottines. Verhogingen van de zool voor mensen met twee verschillende beenlengtes: tot 7 centimeter zijn we al gegaan. Als ik zie dat ik het kan herstellen, doe ik het. Slechts in 5% van de gevallen lukt het me niet en dan zeg ik dat ook. Eerlijkheid is belangrijk.”

Doe wat je graag doet

De tijd van de dubbele shiften is gelukkig voorbij. Rob en Sandra hebben al jaren een goede gast in dienst, een oude schoolkameraad uit de Lombardenstraat. Maar een achturendag is nog altijd niet voor hen weggelegd. “Straks ben ik nog bezig tot 22u”, zegt Rob. Het is zaterdagavond. “Maar dat vind ik niet erg. Ik doe wat ik graag doe. Als de mensen ’s avonds een probleem hebben, los ik het op. Maar op zondag spelen onze kleinkinderen ijshockey in Deurne en dan gaan we kijken. Dat is heilig. Net als de woensdag. Dan is de winkel toe en doen we alleen het hoogstnodige. Wij werken hard, maar ook met veel plezier.”

 

En de toekomst van de schoenmakerij oogt opnieuw een klein stukje rooskleuriger, denkt Sandra. Ze ziet weer meer hieltjes in het straatbeeld. “Er is opnieuw wat meer plaats voor elegantie”, zegt ze. “Dat is goed voor ons. Al duurt het voor schoenmakers wel een jaar of twee voor we die omslag ook voelen.” Rob moet lachen. “Voor we met pensioen gaan, zullen wij nogal uit onze pijp mogen komen.”

Maar zo ver zijn ze nog lang niet. Vergeleken met de gemiddelde schoenmaker zijn Rob en Sandra nog jonkies. En als ze ooit willen stoppen … “Ja, dan zien we wel. Misschien neemt een van onze kinderen de zaak over. Misschien niet. We zeggen dikwijls tegen onze kinderen: ‘Het maakt niet uit wat je doet, als je het maar graag doet.’ Dat hebben wij ook gedaan.”